Heemkundekring Bakel en Milheeze

De terugkeer van Heer Hendrik van Bakel

Speciaal geschreven voor het scholenproject door Jacques Vriens 

Heel lang geleden was Bakel nog maar een speldenknopje op de kaart. Het dorpje bestond uit een stuk of acht boerderijen, die er natuurlijk heel anders uitzagen dan de boerderijen van nu.
Ze leken meer op omgekeerde boten met een groot puntdak van stro en lage muren van gevlochten takken. Tegen die muren smeerden de bewoners een heleboel modder en klei, zodat de regen en de kou niet naar binnen kon komen.
In die boerderijen was het best druk, want meestal leefden mensen en dieren in één ruimte. De koeien en varkens stonden achter een hek van gevlochten takken en aan de andere kant van het hek woonden de mensen. Daar werd gegeten, geslapen en speelden de kinderen.
Róndom het dorpje Bakel stond een hoge omheining van houten palen om struikrovers en wilde dieren buiten te houden. Vooral voor wolven waren de mensen bang, maar de kans dat die zich lieten zien was klein, want wolven zijn nogal schuw.

Bakel lag midden in een uitgestrekt gebied met lage zandheuvels en hier en daar een struik of een paar verdwaalde bomen. In de buurt van het dorp lagen nog wel een paar akkers waar de boeren bonen, wortels en graan verbouwden. Dat viel niet altijd mee, want het opstuivende zand bedekte vaak de velden met een dun laagje stof.
Er stond ook al een kerk in Bakel, maar die lag een stukje verderop, buiten de omheining.
Als je het dorpje zo zag liggen tussen de zandheuvels, dan was er één boerderij die opviel, omdat die veel groter was. Het puntdak was een stuk hoger en er stond zelfs een aparte stal naast.
Dit was de boerderij van Heer Hendrik. Hij woonde er samen met zijn vrouw Andrea, zijn dochtertje Hadewich en zijn zoon Willem. De andere bewoners van het dorp noemden deze boerderij ‘Het Hof’.

Heer Hendrik was de baas over Bakel. Of eigenlijk moet je zeggen: een ‘beetje’ de baas, want één keer per jaar moest hij op reis naar Echternach, een stad die ver weg in het zuiden lag. De monniken van het beroemde klooster van Echternach waren de échte bazen van het Bakel én van alle akkers die er omheen lagen. De boeren die dit land gebruikten, moesten daarvoor betalen aan Heer Hendrik. Ongeveer de helft van het geld mocht Hendrik zelf houden, maar de rest van de zilveren penningen moest hij afgeven aan het klooster van Echternach.
Dit verhaal gaat over Heer Hendrik, maar vooral over zijn zoon Willem, die zich grote zorgen maakt om zijn vader.


Zomer 1264

‘Je doet het niet Willem, ik verbied het je!’
‘Maar moeder, ik wil zo graag…’
‘Nee, ik wil niet dat je buiten de omheining komt.’
Willem staat tegenover zijn moeder en is boos. Hij wil heel graag zijn vader tegemoet gaan, maar hij mag het niet.
Heer Hendrik is al meer dan twintig dagen weg en Willem mist hem steeds meer. Zijn vader heeft op zijn paard de jaarlijkse tocht naar het klooster van Echternach gemaakt om de monniken te betalen. Vandaag komt hij naar huis. Een bode is hem vooruit gesneld en dat was maar goed ook, want iedereen begon ongerust te worden.
‘Moeder,’ probeert Willem nog een keer, ‘ik loop alleen maar een stuk het zandpad op in de richting van Deurne en wacht bij het berkenbosje.’
‘Jongen, doe niet zo eigenwijs,’ antwoordt zijn moeder, ‘want je weet toch waarom je vader langer weg is gebleven. Hij moest op de terugweg dringend overleggen met de heren van Asten en Deurne. Er zitten steeds meer struikrovers in onze gebieden en Ouwe Jacob heeft pas nog een wolf gezien.’
‘Ja maar moeder…’
Willems moeder heeft er genoeg van en verdwijnt door de ingang van Het Hof.

Verongelijkt gaat Willem op de grote steen zitten die aan de rand van hun erf ligt.
Natuurlijk weet hij dat er rovers en wolven zijn. Nou ja, van die wolven gelooft hij eigenlijk niet zoveel. Ouwe Jacob verzint maar wat. Dat doet hij wel vaker. Hij zegt ook dat er 's nachts doden ronddwalen over de uitgestrekte zandvlaktes rondom het dorp, maar Willem heeft ze nog nooit gezien.
Maar dat van die rovers is waar. Laatst hebben ze nog de kleine boerderij van de ouders van Yda overvallen.
De rovers waren ’s nachts over de omheining geklommen en hadden boer Meynard en zijn vrouw vastgebonden. Daarna maakten ze een gat in het hoge hek en hadden ze op hun gemak al het vee naar buiten gebracht. Maar de rovers hadden niet in de gaten, dat Yda stiekem was weggeslopen. Ze waarschuwde Heer Hendrik en die kwam nog net op tijd. Samen met een paar andere mannen had hij de boeven gegrepen en het vee teruggegeven aan boer Meynard..
Dat is trouwens ook een van de taken van de Heer van Bakel. Hij moet voor de bewoners zorgen en ze beschermen. En dat doet hij heel goed en daarom is Willem ook trots op zijn vader.

Ineens hoort hij achter zich een stem.
‘Willem, wat zie je er boos uit.’
Als Willem zich omdraait, kijkt hij in het gezicht van Yda en hij moppert: ‘Ik ben ook boos.’ Dan vertelt hij over de ruzie met zijn moeder.
Yda luistert aandachtig en zegt dan: ‘Zullen we sámen je vader tegemoet gaan? Ik vind hem heel aardig en hij heeft laatst mijn ouders nog verdedigd.’
Willem kijkt Yda stralend aan en denkt: ze is nog steeds de leukste meid van Bakel. Ze doet dingen die andere meisjes voor geen goud zouden durven. Willem vond het ook heel stoer dat ze bij de overval op de boerderij van haar ouders, zomaar was weg geglipt en Heer Hendrik had gewaarschuwd. Andere meisjes zouden vast bibberend in een hoekje zijn gekropen. En als hij heel eerlijk is, vraagt hij zich af wat hij zélf gedaan zou hebben als de rovers bij hem waren binnengevallen.

Even later lopen ze samen naar de poort in de grote omheining. Ze moeten eerste een plan verzinnen om langs de Oude Jacob te komen. Jacob is de bewaker van de poort en hij doet altijd of zijn leven ervan afhangt. Hij sluit de poort ook onmiddellijk, als hij denkt dat er onraad is.
‘Halt!’ begint hij al te roepen als de kinderen nog een heel stuk van hem vandaan zijn.
Yda schreeuwt: ‘Jacob, je varken is losgebroken!’
De kleine boerderij van Jacob ligt aan de andere kant van het dorp en de oude baas rent onmiddellijk weg. Hij vergeet voor even dat hij bewaker is.
Willem en Yda rennen door de poort naar buiten.
‘Die kant op,’ zegt Willem en hij wijst naar het zuiden. Ze sjouwen door het mulle zand en moeten er goed op letten dat ze het juiste pad blijven volgen. Doordat het zand regelmatig opstuift en overal naartoe dwarrelt, is het vaak moeilijk te zien waar je bent.
Yda kijkt naar de donkere lucht en mompelt: ‘Het wordt slecht weer.’
Willem wijst naar het berkenbosje in de verte. ‘Laten we daar naartoe lopen. Als het gaat regenen, kunnen we er schuilen en op mijn vader wachten.’
De kinderen beginnen te rennen, zo goed en zo kwaad als dat gaat door het losse zand. Als Yda struikelt trekt Willem haar overeind en hollen ze verder.
‘We hoeven niet bang te zijn voor struikrovers,’ roept Willem hijgend. ’Die blijven bij dit weer vast binnen.
‘En de wolven van de Ouwe Jacob ook,’ roept Yda lachend, want ook zij gelooft niks van die verhalen.

Maar dan gebeurt er iets anders. De lucht wordt steeds donkerder en het begint plotseling te waaien, heel hard te waaien. Alsof ineens een grote kooi wordt opengezet en de storm als een wild dier wordt losgelaten.
De kinderen grijpen elkaars handen vast om niet te worden weggeblazen en met hun andere hand schermen ze hun ogen af. Het zand stuift alle kanten op en slaat tegen hun gezicht. Natuurlijk weten ze dat het op de zandvlaktes rondom Bakel heel hard kan waaien. Na een storm ligt het zand vaak hoog opgetast tegen de grote omheining en wil de poort niet meer open omdat een enorme berg zand ervoor ligt.

Tot nu toe zaten Willem en Yda veilig binnen als de natuur zo woest tekeer ging, maar vandaag lopen ze er midden in. Het berkenbosje in de verte is niet meer te zien.
Yda gilt: ‘Zand in mijn ogen!’
Willem pakt haar nog steviger vast en sleurt haar mee. Ze moeten hoe dan ook het berkenbosje bereiken, maar Willem heeft geen idee meer of ze wel de goede kant opgaan.
Yda wrijft met haar mouw door haar ogen en roept: ‘Het gaat wel weer.’
Ineens horen ze een paard hinniken en al snel doemt het dier voor hen op. ‘Het is Kay,’ roept Willem, ‘het zwarte paard van mijn vader!’
Kay steigert en zwaait wild heen en weer met zijn hoofd. Dan stormt hij recht op Yda en Willem af, maar vlak voor hen zwenkt hij naar rechts en galoppeert rakelings de kinderen.
De kinderen schrikken maar veel tijd om daarover na te denken krijgen ze niet, want ze horen iemand roepen..

Moeizaam zwoegen ze verder door de storm en dan zien ze Heer Hendrik liggen, vlak bij het berkenbosje. Hij ligt met zijn ogen dicht en kreunt van de pijn. Het zand striemt recht in zijn gezicht.
‘Je vader,’ zegt Yda hijgend, ‘we moeten hem helpen.’
De kinderen pakken Heer Hendrik bij zijn schouder en trekken de grote man zo goed en zo kwaad als het gaat het berkenbosje in. Daar is in elk geval beschutting en hebben ze veel minder last van het stuivende zand.
Heer Hendrik blijft liggen met gesloten ogen.
‘Vader,’ roept Willem angstig, ‘hoort u mij?’
Zijn vader geeft geen antwoord.
‘Heer Hendrik!’ roept Yda.
‘Vader, hoort u mij!’ herhaalt Willem.
Langzaam doet Hendrik zijn ogen open, glimlacht en zegt met een zucht: ‘Gelukkig jij bent het, mijn zoon.’
‘En Yda,’ zegt Willem, ‘Yda van boer Meynard.

Dan begint Heer Hendrik zachtjes te vertellen. Het kost hem moeite en af en toe stopt hij even. ‘De zandstorm kwam onverwacht. Ik dacht nog: als ik flink doorrijd, ben ik nog net op tijd in Bakel. Maar toen sloeg Kay op hol en gooide mij eraf. Ik ben even helemaal weg geweest. Toen ik weer bijkwam, deed het zand in mijn gezicht afschuwelijk pijn en ik kon me nauwelijks bewegen. Daar had ik de kracht niet voor. Ik dacht: als ik hier te lang blijf liggen, overleef ik het niet. Maar jullie hebben me in veiligheid gebracht.’
Trots kijken Willem en Yda elkaar aan.
En net zo snel als de zandstorm gekomen is, verdwijnt die weer.
Yda blijft bij Heer Hendrik en Willem rent terug naar het dorp om hulp te halen.

Niet veel later ligt Hendrik in zijn grote boerderij op een rustbank. Zijn vrouw Andrea dept liefdevol zijn voorhoofd. Hij heeft gelukkig niets gebroken, maar wel flinke hoofdpijn. Volgens boer Meynard, die veel van ziektes weet, moet hij een paar dagen rust houden en dan trekt de pijn wel weg.
Willem en Yda zitten naast Heer Hendrik.
‘Jullie zijn dappere kinderen,’ zegt hij.
‘Maar óók ongehoorzaam,’ moppert moeder Andrea. 'Ik had nog zo gezegd dat Willem niet buiten de omheining mocht.’
‘Ik zal het nooit meer doen,’ zegt Willem met een braaf gezicht.
Zijn moeder kijkt hem even onderzoekend aan en zegt dan: ‘Daar geloof ik niks van. Maar ik moet toegeven; je hebt vader daardoor wel op tijd gevonden.’
‘Samen met Yda!’ roept Willem.
‘En die is nét zo ongehoorzaam als jullie zoon,’ zegt boer Meynard.
En daar kunnen ze allemaal om lachen.

Website door Active-Bits